Bijvoedering van vogels in de winter
De afgelopen weken hebben we, afwisselend, al weer kennis kunnen maken met winterse omstandigheden. De eerste
schaatswedstrijden op natuurijs zijn al verreden. Ook nu glijdt de
temperatuur, vooral 's nachts, al weer enkele dagen behoorlijk onder het vriespunt. We
hebben geen idee wat Koning winter nog in petto heeft. Zelf zitten we in ieder
geval lekker bij de warme kachel en doen ons vooral tijdens de afgelopen
feestdagen tegoed aan tal van lekkernijen. Hoe anders is dat evenwel in de
vrije natuur.
Bij koude hebben vogels, mede door hun hoge lichaamstemperatuur van ca. 42 °C, extra veel energie nodig. Dit geldt vooral voor de kleinere vogelsoorten. Zo
eet een koolmees elke dag globaal zijn eigen gewicht aan voedsel. Ook soorten
als ijsvogel en blauwe reiger hebben het dan al snel zwaar te verduren.
Bovendien zijn 's winters de dagen erg kort wat hun mogelijkheden tot het vinden van genoeg voedsel beperkt. Ze moeten overdag voldoende energiereserves kunnen opbouwen om gedurende de nacht hun temperatuur op peil te houden. Daarnaast is bij vorst en sneeuw het voedsel ook nog eens moeilijk bereikbaar.

Wanneer je je realiseert dat voedsel zoeken de belangrijkste
bezigheid van vogels is, is het begrijpelijk dat overleven extra moeilijk
wordt wanneer ze onnodig verstoord worden. Langdurige voedselschaarste
verzwakt onze gevleugelde vrienden en verstoort de stofwisseling; kortom ze
worden ook nog eens erg vatbaar voor ziektes.
Vogels kunnen onder dat soort omstandigheden wel wat extra hulp gebruiken;
niet alleen door ze te voeren, maar ook door rekening te houden met hun
leefomgeving. Maak bijvoorbeeld de tuin niet, zoals dat zo mooi heet,
winterklaar maar laat het blad eens liggen en laat uitgebloeide stronken
overstaan tot aan het voorjaar. Het is verbazingwekkend wat de vogels hier aan
voedsel kunnen vinden. Ook kan er bij de inrichting van de tuin rekening
worden gehouden met vogels. Plant bijvoorbeeld wat besdragende en/of
doornachtige struiken, leg een vijver aan, zorg voor geleidelijke overgangen
of vervang schuttingen door heggen of hagen.
Als er dan gevoerd wordt, hoe en wanneer kan dit dan het beste ?
Moet er ook gezorgd worden voor water ?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden moeten we eerst iets meer weten over
vogels. Veel vogelsoorten als grutto, ooievaar en zwaluw trekken weg naar het
zuiden. Ganzen, eenden, roodborsten en ook mezen komen vanuit het noorden naar
ons land. Nog weer andere vogels, als roerdomp en ijsvogel zijn standvogels;
zij verblijven hier het gehele jaar. In strenge winters zijn deze soorten erg
kwetsbaar.

Veel vogels, zoals mezen en heggenmussen, veranderen in de
winter van voedsel. In plaats van insecten eten ze dan energierijke zaden en
noten. Ze passen hun darmstelsel hier zelfs op aan. Daarnaast trekken veel
zangvogels in de winter, vanwege het goede en ruime voedselaanbod, naar dorpen en
steden.
Laat in het najaar, richting winter mag er gevoerd worden. Tot die tijd zijn
er genoeg bessen, insecten, larven etc. in de vrije natuur te vinden. Het is
juist goed dat de vogels zo lang hun eigen kostje bij elkaar scharrelen; ze
raken anders te verwend en worden b.v. niet meer gestimuleerd om naar het
zuiden te trekken. Een uitzondering zou kunnen worden gemaakt voor huis- en
ringmus. Onderzoek heeft aangetoond dat jonge mussen in het eerste jaar best
wat extra voedsel kunnen gebruiken.

Voeren kan het beste 's morgens vroeg en later in de middag.
De vogels kunnen dan herstellen van de koude nachten en reserves opdoen voor
de aankomende nacht. Voer niet te veel ineens; dit trekt alleen maar muizen en
ratten aan.

Wat kan er zoal gevoerd worden ?

Voedertips, kort samengevat:



Wat doet de Natuur- en vogelwerkgroep " de Grutto" voor
vogels in de winter?

Onze Vereniging kent een heuse "wintervoederingploeg". Wanneer Koning Winter toeslaat met zware vorst of hevige sneeuwval wordt het draaiboek van de wintervoedering voor de dag gehaald. Er wordt dan een heus crisiscentrum ingericht, welke tevens dienst doet als voedseldepot. Dit is voor een gecoördineerde actie onontbeerlijk. Op de oproepen aan alle leden en donateurs om niet alleen thuis te voeren, maar ook geschikt voedsel aan te leveren voor de vogels in de buitengebieden, wordt over het algemeen goed gehoor gegeven. Veelal wordt slachtafval, runder- en varkensvet, koek, beschuit, zaad, brood, eikels, vis en visproducten, vetbollen en pinda's, groente en fruit beschikbaar gesteld. Dit wordt verkregen bij de vertrouwde slachterijen, poelierbedrijven, bakkerijen, graanhandelaren, groentehandelaren, visbedrijven uit de buurt en een beschuit- en koekjesfabrikant uit de regio. De laatste jaren doet ook de Hengelose afdeling van de Dierenbescherming regelmatig een stevige duit in het zakje. Bij strenge winters dienen we voorts financiële aanvragen in bij het Nationale Comité Wintervoedering van Vogels. Deze worden meestal gehonoreerd. Met de beschikbaar gestelde gelden, aangevuld met extra giften van leden/donateurs en geld uit eigen kas, wordt goed voedsel, zoals zaden en granen aangeschaft.

Op de gebruikelijke plaatsen in het buitengebied worden doorgaans 5 tot 8 geschikte voederplaatsen ingericht. Hiervoor melden zich globaal zo'n 25 vrijwilligers ! Zo worden er voederplaatsen gecreëerd op open plekken voor reigers en buizerds, maar ook voor allerlei zangvogels. Andere diersoorten profiteren hier van mee. Verder worden er wakken geslagen voor verschillende soorten watervogels, die met graanproducten, maïs en eikels worden bijgevoerd. Voor de verschillende uilensoorten worden ook nog eens aparte kleine voederplaatsen ingericht. Dit laatste gebeurt door het uitstrooien van graanproducten in de foerageergebieden van de uilen, waardoor muizen en ratten worden aangelokt.

In het "Crisiscentrum" wordt het voedsel voor de verschillende vogels en de
afzonderlijke voederplaatsen klaar- gemaakt. In een grote gehaktmolen worden de
verschillende ingrediënten vermalen, waarna dit vermengd wordt met gesmolten runder- en varkensvet. Uiteindelijk worden hier voedselpakketten van
samengesteld. Verschillende vogelsoorten maken hier maar wat graag gebruik
van. In het verleden heeft de regionale pers veelvuldig artikelen besteed aan
de wintervoederingacties van onze Vereniging.
Op de diverse voederplaatsen worden veel vogelsoorten (soms zelfs 40 en meer!)
waargenomen, waaronder bijzondere soorten als blauwe kiekendief, rode wouw,
havik, kerkuil, grote zaagbek, nonnetje, smient, zwarte - en groene specht,
bonte kraai, notenkraker, pestvogel, kuifleeuwerik, geelgors en keep. Leuk te
vermelden is dat buizerds elkaar op de voederplaats redelijk goed verdragen,
maar dat blauwe reigers erg onverdraagzaam zijn jegens soortgenoten. De
onderlinge afstand mag zeker wel 50 meter of meer bedragen, anders is het
geheid hommeles geblazen! Vermeldenswaard is verder dat we tijdens de
winterperiode in 1991 op een Hitchcockachtige manier overspoeld werden door
duizenden hongerige spreeuwen.

Uiteraard vallen er elk jaar wel weer de nodige
winterslachtoffers te betreuren. Hieronder zaten in een aantal strengere
winters ijsvogels, dodaarsjes, futen, aalscholvers, blauwe reigers, rans- en
kerkuilen, boomkruipers en zelfs een keer een roerdomp. Dat is jammer, maar
het is helaas niet anders. Ook nu alweer zijn er bij het
dierenopvang- centrum van Paulette Baake te Enschede, kortweg DOT, de eerste winterslachtoffers
als blauwe reigers, ijsvogels en kerkuilen binnengebracht.

Niet zelden hoor je: Moet er eigenlijk wel gevoerd worden??
Waarom wordt dit nu eigenlijk gedaan? Is het wel echt nodig? Worden de zwakste
vogels niet juist de winter doorgeholpen waardoor hele populaties kunnen
verzwakken? In de natuur overleven immers de sterksten! Dat zijn zoal wat
geluiden van mensen, die wat kritisch reageren op bijvoederingacties.
Los van alle genoemde feiten over lichaamstemperatuur en de tijd die een vogel
in de winter heeft om zijn/haar kostje bij elkaar te zoeken, moeten wij ons
als mensen realiseren dat juist wij het zijn die de afgelopen eeuwen zo
drastisch in de verschillende biotopen hebben ingegrepen, waardoor veel
leefgebieden voor vogels en navenant hieraan het voedsel, nog maar voor een
deel voldoen aan de eisen die die vogels er aan stellen.

De ijsvogel kan hierbij als een zeer goed voorbeeld worden aangehaald. Veel
afwateringswegen zijn de afgelopen decennia genormaliseerd, zeg maar:
rechtgetrokken. De natuurlijke waterlopen en daarmee de stroomversnellinkjes
zijn hiermee verdwenen. Dit houdt in dat beken sneller dichtvriezen, waardoor
het voedsel voor de ijsvogel, te weten vis, onbereikbaar wordt. Het gevolg
hiervan is dat de wintersterfte onder ijsvogels tegenwoordig veel hoger is dan
vroeger. In zachte winters kunnen de ijsvogels goed overleven. Meerdere
zachte winters achter elkaar levert een hoger bestand aan ijsvogels op, zoals
nu al een aantal jaren het geval is. Komt er dan een keer een echte winterse
periode, dan kan het maar zo zijn dat wel 80 tot 90% van de ijsvogelpopulatie
het loodje legt. Ook winterkoninkjes kennen dit fenomeen.

Winter- , liever gezegd, bijvoedering maakt dus een deel uit van het beschermingswerk
van onze vogels. Daarnaast is het gewoon prachtig om de activiteiten van de
verschillende vogels in je eigen tuin te van dichtbij waar te nemen. Voor veel
ouderen vormen vogels dicht bij huis bovendien wat extra lichtpuntjes om de
sombere wintermaanden door te komen! Verder moeten we niet vergeten dat
wintervoedering ook voor kinderen uit educatief oogpunt erg leerzaam is. Zo
raken ze ieder geval op een gemakkelijke manier vertrouwd met moedertje
natuur. Mocht er wederom een strenge winter voor de deur staan, dan is onze
Vereniging er ieder geval klaar voor!

Jan Willem ten Cate en Wim Wijering